UCALL Blog

Uncategorized

Rechter en politiek

Ruth de Bock

Deze bijdrage vormt een uitwerking van de keynote-lezing van Ruth de Bock op het UCALL congres over Recht & Politiek in Utrecht op 31 oktober 2025

KNIL-arrest
Bijna 75 jaar geleden, in 1951, oordeelde de Hoge Raad dat de Ambonese KNIL-soldaten, aan het einde van de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië niet op Java of ander Indonesisch grondgebied mochten worden gedemobiliseerd. Deze KNIL-soldaten hadden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd aan de zijde van het Nederlandse leger gevochten, en zij werden gehaat door de stichters van de Republiek Indonesië.

Net als rechtbank en hof, vond de Hoge Raad dat de door de Staat voorgenomen demobilisatie op grondgebied van de republiek Indonesië een onmiddellijke bedreiging opleverde van vrijheid en leven van de KNIL-soldaten en hun gezinnen. De militairen met hun vrouwen en kinderen zouden immers zonder enige waarborg weerloos worden blootgesteld aan represailles (zie over het arrest ook hier).

Deze hoogst ernstige inbreuk op burgerlijke rechten weegt zwaarder dan de bezwaren, die tegen tijdelijke overbrenging naar Nederland kunnen worden aangevoerd, aldus de Hoge Raad. Met deze overweging veegt de Hoge Raad in één zwaai de bezwaren van de Staat tegen deze rechterlijke inmenging van tafel.

Met andere woorden: als duidelijk is dat er mensenlevens op het spel staan, moet de rechter ingrijpen en bescherming bieden tegen overheidshandelen. De vrijheid van de Staat om te beslissen waar demobilisatie dient plaats te vinden, die normaliter als een politieke keuze geldt, moet dan worden begrensd om de fundamentele rechten van burgers te waarborgen.

In de noot onder het in 1951 gewezen arrest verwijst professor Houwing naar “verzuchting aan bestuurszijde”, zoals hij het noemt, dat de rechter niet op de stoel van het bestuur mag gaan zitten. Kennelijk was de ‘stoelen-metafoor’ toen ook al gangbaar in het debat.

Annotator Houwing maakt er korte metten mee: volgens hem kan het bestuur zich beter afvragen waarom rechters, en ik citeer hem, “met hun professionele objectiviteit en onbetwistbare gezag het door de Staat gevoerde beleid hebben gewraakt”, dan te blijven kermen over stoelen. Dat zijn dan mijn woorden.

Een observatie die ook in deze tijd vaak raak zou zijn, zij het dat ik het wel uit mijn hoofd zal laten om te spreken over “het onbetwistbare gezag van rechters”.

Niets nieuws onder de zon
In dit arrest uit 1951 zien we een perfecte illustratie van het spanningsveld tussen rechter en politiek, zoals dat tot op de dag van vandaag onderwerp van discussie is.

De kritiek op het KNIL-arrest zag je ook op het Urgenda-arrest: de rechter heeft zich ten onrechte begeven in een kwestie die bij uitstek tot het politieke domein behoort.

De beslissing wat er moet gebeuren met de KNIL-soldaten – of met het Nederlandse klimaatbeleid – zou berusten op politieke afwegingen die door bestuur of wetgever moeten worden gemaakt, en de rechter moet zich daarbuiten houden. Hier geldt het primaat van de politiek, zo wordt dan gezegd. De rechter wordt verweten ‘activistisch’ te zijn.

Rechterlijke versus politieke domein
Deze kritiek veronderstelt dat er een strikt onderscheid kan worden gemaakt tussen het rechterlijke domein en het politieke domein. Het is echter niet zo eenvoudig om nader te duiden waarin dat onderscheid tussen rechterlijk en politiek domein nu precies in gelegen is.

Uiteraard heeft de rechter een andere positie in het staatsrechtelijke bestel dan de wetgever of het bestuur, die ik tezamen maar even aanduid als de ‘politieke takken van de trias politica’. Maar de vraag waarom het mij gaat is niet het verschil tussen rechter en politiek.

Waar het mij wel om gaat is: hoe kunnen we uitleggen wat het verschil is tussen rechterlijke beslissingen en politieke beslissingen? De meest eenvoudige benadering zou zijn: de rechter houdt zich bezig met het recht, met juridische kwesties. en de politiek houdt zich bezig met politieke kwesties.

In die benadering zouden we dus een onderscheid maken aan de hand van onderwerpen – die wel of niet politiek zijn.

Maar helaas, dit gaat niet werken.

Politiek gaat over de vraag hoe de samenleving het beste ingericht kan worden. Een inhoudelijke omschrijving van politieke onderwerpen is dan dat álle kwesties die raken aan keuzes waarmee richting wordt gegeven aan de samenleving, als politiek kunnen worden beschouwd. 

We stuiten dan echter op het probleem dat eigenlijk álle zaken waarin de Hoge Raad een rechtsvormende beslissing neemt, in meer of mindere mate richting geven aan de samenleving.

Bij politieke kwesties denken mensen aan onderwerpen als de opwarming van de aarde, stikstof, vrouwenstemrecht of de levering van militaire apparatuur aan Israël. Alles wat de rechter over dergelijke onderwerpen beslist zou vallen binnen, of op zijn minst raken aan, het politieke domein.

Maar ook beslissingen over bijvoorbeeld zorgplichten van de werkgever, de bestelknop op een internetpagina, of de overgang van werknemers bij een prepack geven richting aan de samenleving.

Zelfs ogenschijnlijk saaie, procesrechtelijke beslissingen, over bijvoorbeeld over ontvankelijkheid of verstek, kunnen richting geven aan de samenleving omdat zij implicaties hebben voor de toegang tot de rechter. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de omkeringsregel of de omvang van het inzagerecht. De ontwikkeling van deze leerstukken maakt dat mensen gemakkelijker hun rechtsaanspraken geldend kunnen maken.

Eigenlijk komt het er op neer dat álle rechtsvormende beslissingen van de Hoge Raad een rechtspolitieke dimensie hebben. Althans: zij kunnen dat in potentie hebben; soms blijkt pas veel later welke betekenis een bepaalde uitspraak heeft gehad voor de inrichting van de samenleving.

Tegen deze achtergrond is de uitspraak dat de rechter zich buiten het politieke domein moet houden, tamelijk inhoudsloos. Het is niet meer dan een statement, een frame, dat gebruikt wordt om uit te drukken dat men zich niet kan vinden in de uitkomst van een specifieke rechtszaak.

Het biedt géén criterium dat de rechter kan gebruiken om in een concrete zaak te beoordelen of zij moet interfereren in een bepaalde kwestie, of zich daarvan juist moet onthouden.

Maar dit betekent niet dat er niets zinnigs te zeggen valt over de afbakening van de positie van de rechter ten opzichte van die van de andere staatsmachten.Er bestaan wel degelijk wezenlijke verschillen tussen de positie van de rechter en de positie van wetgever of politiek, tussen rechterlijke beslissingen en wetgevende en politieke beslissingen.

Ik zal vijf van die verschillen bespreken.

Vooraf merk ik op dat ik het steeds heb over de civiele rechter en civielrechtelijke beslissingen. Voor het bestuursrecht zijn zeker vergelijkbare observaties te maken, maar ligt het soms toch net even anders.

I: Onderscheid recht – politiek: soort argument

Het eerste principiële verschil tussen rechterlijke beslissingen en politieke beslissingen, is gelegen in de aard van de argumenten die gebruikt worden om tot een bepaalde beslissing te komen. Ik knoop hier aan bij de bekende Amerikaanse rechtsfilosoof Ronald Dworkin, die een onderscheid maakt tussen arguments of policy, en arguments of principle (R.M. Dworkin, Taking Rights Seriously, p. 106 e.v.).

Arguments of policy zijn argumenten die berusten op beleidsdoelen. Dat zijn typisch het soort argumenten dat de wetgever of een bestuursorgaan gebruikt. Denk aan het beleidsdoel om de positie van arbeidsmigranten te versterken, om iets te doen aan de schuldenproblematiek, of het beleidsdoel om Nederland van het stikstofslot te halen.
Met het oog op het bereiken van dergelijke, in de toekomst gelegen doelen, maakt de wetgever of het bestuur dan wetten of regels, of worden bijvoorbeeld subsidieregels opgesteld.

Deze bestuurlijke of wetgevende beslissingen worden gerechtvaardigd door de arguments of policy, dus de beleidsargumenten; beredeneerd wordt dat een bepaalde regel of financiële ondersteuning zal bijdragen aan het betreffende beleidsdoel. Je zou ook kunnen zeggen: de overheid maakt politieke keuzes. Naar we mogen hopen en verwachten, berusten die politieke keuzes op een samenhangende visie op maatschappelijke problemen, en de afwegingen die in dat kader moeten worden gemaakt.

Voor rechterlijke beslissingen ligt dit wezenlijk anders. De rechter gebruikt bij de totstandkoming van de rechterlijke beslissing geen arguments of policy, maar arguments of principle. Aldus Dworkin, die hiermee een ideaalbeeld typeert.

Deze arguments of principle ontleent de rechter aan het geldende rechtssysteem. Natuurlijk kijkt de rechter eerst in de wet, maar sinds Paul Scholten weten we dat rechterlijke beslissingen – in ieder geval civielrechtelijke beslissingen – maar zelden logisch-dwingend uit de wet voortvloeien; zij berusten steeds op een rechterlijke keuze (Asser/Scholten 1974, zie ook hier;  en Asser/Vranken 1995) Het woord ‘rechtsvorming’ drukt dat ook uit: de rechter past het recht niet alleen toe, maar vormt dat ook. Daarmee rijst overigens ook wel de vraag of het Dworkiniaanse onderscheid tussen arguments of principles en arguments of principle altijd scherp te maken is; als de rechter een rechtsvormende uitspraak doet zal zij toch ook wel nadenken over de vraag wat het effect van de te vormen rechtsregel kan zijn.

In dit proces van rechtsvinding maakt de rechter in belangrijke mate gebruik van de beginselen die aan de wet of het recht ten grondslag liggen, soms expliciet, vaak ook impliciet. De rechter bedenkt dus niet zélf welke rechtsbeginselen van toepassing zijn. De rechter leidt die beginselen af uit het positieve, geldende recht en sluit aan bij het recht zoals dat door de wetgever – al dan niet via de band van (goedkeuring van) verdragen – tot stand is gebracht. 

Denk bijvoorbeeld aan het beginsel van partijautonomie, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van proportionaliteit, het beginsel dat door onrechtmatig handelen of wanprestatie veroorzaakte schade moet worden vergoed, of het beginsel dat zwakkere partijen (werknemers, huurders, consumenten) beschermd moeten worden.

In dit kader spelen ook mensenrechten een belangrijke rol. Mensenrechten maken deel uit van het geldende recht, hetzij rechtstreeks, hetzij door doorwerking van internationale regels. Mensenrechten zijn uiteindelijk ook beginselen: zij geven uitdrukking aan universele, morele waarden die tot doel hebben om burgers bescherming te bieden jegens de overheid.

Door een centrale plaats in te ruimen voor beginselen zien we ook dat het recht doordesemend is van morele uitgangspunten; recht en moraal zijn onlosmakelijk met elkaar verweven.

Kenmerkend voor rechterlijke beslissingen is dus dat de rechter aan de hand van de rechtsregels en de daaraan ten grondslag liggende beginselen zoekt naar wat in een concreet geschil de beste beslissing is.
Rechtsvinding is dus in de kern een kwestie van interpretatie. Dworkin gebruikt hier het beeld van een kettingroman: met elke nieuwe rechterlijke beslissing schrijft de rechter als het ware een vervolgverhaal, voortbouwend op alles wat er al ligt. Deze metafoor drukt ook uit dat de rechter bepaald niet in volkomen vrijheid beslissingen neemt, of keuzes maakt.

Integendeel, de rechter is met handen en voeten gebonden aan het geldende recht en zoekt daarbinnen naar wat Dworkin noemt een integere interpretatie van het bestaande recht. Deze zoektocht naar een integere interpretatie kan als een morele plicht van de rechter worden gezien.

Om terug te keren naar het onderscheid tussen rechterlijke beslissingen en politieke beslissingen: de rechter laat zich in het proces van rechtsvinding níet leiden door beleidsdoelen, door gewenste ontwikkelingen in de samenleving. Arguments of policy spelen voor de rechter dus geen, althans een veel minder prominente rol.
Verwacht van de rechter ook geen samenhangende visie op maatschappelijke problemen; dat is haar táák niet.

Om het even concreet te maken: als de rechtbank Den Haag Greenpeace gelijk geeft en oordeelt dat de Staat onrechtmatig handelt door de verslechtering van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet tijdig te stoppen, is dat niet omdat de rechtbank vindt (beleidsdoel) dat Nederland van het stikstofslot moet of (ander beleidsdoel) omdat de natuur beter beschermd moet worden. Ook heeft de rechter geen afweging gemaakt tussen de kosten van het verminderen stikstofuitstoot en de baten daarvan.

Nee, de rechtbank komt tot dit oordeel omdat beredeneerd vanuit het geldende recht de Staat de verplichting heeft om de stikstofuitstoot rondom Natura-2000-gebieden terug te dringen. Heel veel interpretatieve activiteit was daar trouwens niet voor nodig; de stikstofdoelen zijn expliciet opgenomen in artikel 2:15a van de Omgevingswet. Dat de Natura 2000-gebieden feitelijk nog steeds verslechteren, heeft Greenpeace onderbouwd met tal van wetenschappelijke rapporten en stond daarmee in feite niet ter discussie.

Kortom, veel Scholtiaanse keuzemomenten had de rechter niet in deze zaak. In de Urgenda-zaak lag dat anders, omdat de rechter op zoek moest naar de meest integere interpretatie van art. 8 EVRM, in een specifieke context die op dat moment nog niet door het EHRM was beoordeeld.

Maar er waren wel natuurlijk wel tal van aanknopingspunten in de rechtspraak van het Europese Hof, voor de gedachte dat de overheid bij een reële dreiging van een verlies aan leven of ernstige bedreiging van de leefomgeving, verplicht is om te handelen ter bescherming van het leven van burgers.
Bovendien hanteerde de regering tot 2011 zelf als staand beleid dat 25-40% CO2 gereduceerd moest worden in 2020 in vergelijking tot 1990, maar week zij daar toen de deadline dichterbij kwam, ongemotiveerd vanaf. De rechter hield de Staat dus ook aan wat de regering eerder zelf als absoluut minimaal noodzakelijk zag.

Het verschil tussen arguments of policy en arguments of principle is van groot belang voor een goed begrip van de aard van rechterlijke beslissingen. Het laat zien dat de rechter geen ‘eigen agenda’ heeft, zoals politici die wel hebben, maar altijd gebonden is door en voortborduurt op het geldende recht.

II: onderscheid verplichting om te beslissen
Ik komt nu bij een tweede belangrijk verschil tussen rechterlijke en politieke beslissingen.

Dat is dat de rechter op grond van art. 26 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht is om te beslissen. Een vergelijkbare bepaling staat in art. 13 van de Wet Algemene Bepalingen. De achtergrond van deze bepaling, die teruggaat tot de tijd van de Franse revolutie en gebroken werd met de rechterlijke willekeur onder het ancien regime, is dat óók als de wet onduidelijk is, of wanneer er een nieuwe vraag opkomt waarop nog geen antwoord in de wet te vinden is, de rechter toch een beslissing moet nemen.

Om aan te haken bij de metafoor van het kettingverhaal: de rechter moet een nieuwe aflevering aan het verhaal van het recht schrijven, de rechter moet het recht interpreteren en op een of andere manier tot een uitleg zien te komen om het geschil te beslechten. Kortom, de rechter moet er maar wat van zien te maken. Hoe anders ligt dit voor wetgever en bestuur.

De afgelopen jaren hebben we keer op keer moeten ervaren wat het betekent dat op deze staatsmachten géén beslissingsplicht ligt. Dat er géén verplichting is – en kennelijk ook niet wordt als morele plicht wordt gevoeld – om beleid te maken, om wetgeving tot stand te brengen. Dat er überhaupt geen policy arguments worden ontwikkeld.

Het is duidelijk dat hoe méér de politiek laat liggen, hoe minder er aan besluitvorming plaatsvindt door wetgever of bestuur, hoe meer er aan rechtsvormende beslissingen aan de rechter wordt voorgelegd.

Want de politieke besluitvorming mag tot stilstand zijn gekomen, het leven is dat niet. De wereld draait gewoon door.

Om even een voorbeeld uit mijn eigen specialisme te gebruiken: werkenden blijven zich afvragen of ze nu als zzp’er of als werknemer kwalificeren, en zolang de wetgever hier niet doorpakt, moet de rechter het recht vormen. Er moet immers worden beslist, als een werkende die vraag voorlegt aan de rechter. Hetzelfde geldt voor de uitzendkracht die voor hetzelfde werk vele jaren in een uitzendconstructie wordt vastgehouden, terwijl bekend is dat dit in strijd is met de Uitzendrichtlijn.

De overheid slaagt er echter nog steeds niet in om de Uitzendrichtlijn om te zetten in nationale wetgeving, waardoor het wederom de rechter is die het gat zal moeten vullen. Op het eerste gezicht wellicht niet zulke enerverende onderwerpen, maar op het tweede gezicht zijn ze dat zeker wél. De inrichting van de arbeidsmarkt is onmiskenbaar een onderwerp dat deel uit zou moeten maken van sociaal beleid.

Maar als dat niet wordt ontwikkeld, dan ontstaat er een vacuüm waarin steeds méér van de rechter wordt gevraagd.

Er zit nog een ándere kant aan het niet-beslissen. En dat is dat handhaving van de status quo altijd in het voordeel van bepaalde personen, bedrijven, of groeperingen werkt. Niet-beslissen is geen neutrale activiteit.

Niet-beslissen leidt tot het voortduren van een bestaande situatie. En die werkt in het voordeel van sommigen, in het nadeel van anderen. In die zin kan niet-beslissen ook een weloverwogen politieke strategie zijn, om onwelgevallige maatregelen uit te stellen, om degene die op dit moment aan het langste eind trekt, nog maar even aan het langste eind te laten trekken.

Ik denk dat dit is wat we de afgelopen jaren in sommige dossiers hebben gezien, waarin sommige politici het niet-beslissen, het niet-handelen tot kunst hebben verheven. Dat moeten we niet per se zien als laksheid maar kan ook een strategie zijn om de belangen van bepaalde groeperingen te dienen (“zand in de wetgevingsmachine strooien” kan gunstig zijn personen of groepen die baat hebben bij handhaving van de status quo).

Duidelijk is dat de rechter deze strategie niet kan toepassen. Het verbod op rechtsweigering betekent dat de rechter wél altijd zal moeten beslissen, ook als het gaat om veelkoppige of beladen onderwerpen. Waarin je eigenlijk al van tevoren weet dat wat je ook beslist, er altijd kritiek zal zijn.

Een soms werkt het niet-beslissen door de overheid, de wetgever, gewoon zo dat er bewust op wordt gekoerst om de rechter de hete kastanjes uit het vuur laten halen. Om zélf lastige dilemma’s uit de weg te gaan en de rechter – die een hele andere positie heeft maar wel móet beslissen – als stootkussen te laten fungeren.

III: onderscheid tussen rechter en politiek in volgordelijkheid
Maar ondanks het feit dat de rechter in elke zaak gedwongen is om een beslissing te nemen, is het níet zo dat elk vraagstuk door de rechter inhoudelijk wordt beslecht.

De beslissing kan er ook uit bestaan dat de rechter oordeelt dat het beslechten van een bepaald dilemma “de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten gaat”. Of, zoals ook wel wordt overwogen, “dat geen aanleiding wordt gezien voor verdere rechtsontwikkeling, omdat de kwestie de aandacht van de wetgever heeft.”

Hiermee zijn we bij een vierde verschil tussen rechterlijke en politieke beslissingen, en dat is namelijk dat de politieke beslissing in beginsel voorrang heeft (zie ook: Ruth de Bock, ‘Het Urgenda-arrest: waarom de rechter wel móest ingrijpen in het politieke domein’, In Derk Venema e.a. (red.), Fundamentele rechten en de rol van de rechter, Boom 2024, p. 15-28, p. 24-25.).

Wanneer een aan de rechter voorgelegde vraag op datzelfde moment onderwerp is van discussie in de regering of het parlement, dan maakt de rechter pas op de plaats en stelt zij zich terughoudend op. Als wetgeving in voorbereiding is, doet de rechter een stap naar achteren en wordt de nieuwe wetgeving afgewacht. Er is dus sprake van een duidelijke volgorde: de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de wetgever, en pas daarna de rechter is in tweede instantie aan zet.

Dat in tweede instantie aan zet zijn, doet zich voor wanneer de wetgever het laat afweten en geen wetgeving tot stand brengt, of wanneer het zo lang duurt dat daar redelijkerwijs niet meer op kan worden gewacht.
Dan kan de zaak gaan kantelen en de rechter toch overgaan tot inhoudelijke interventie.

Neem bijvoorbeeld het verzoek van een non-binair persoon om een genderneutrale vermelding in het paspoort te verkrijgen en de prejudiciële vragen die daarover aan de rechter zijn voorgelegd. In 2022 oordeelde de Hoge Raad dat er op dát moment geen ruimte was om hier inhoudelijk een oordeel over te geven, omdat de ‘X’ in de geboorteakte de aandacht van de wetgever had, dat wetgeving op dit terrein in de nabije toekomst viel te verwachten en dat bij die stand van zaken de prejudiciële vragen zich niet leenden voor beantwoording. Maar ook in 2025 maakt de Hoge Raad pas op de plaats, omdat “het onderwerp de aandacht van het parlement en de regering heeft behouden” (hoewel het wetsvoorstel is ingetrokken). Dat laat overigens onverlet dat zolang er geen wettelijke regeling is, het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen, met inbegrip van de mogelijkheid om de beslissing op het verzoek aan te houden.

Als wetgeving ook de komende jaren niet tot stand wordt gebracht, kan er uiteindelijk een moment komen dat de zaak kantelt en de Hoge Raad zich wél in algemene zin gaat uitspreken over de kwestie. Rechterlijke beslissingen zijn dus in volgorde secundair ten opzichte van politieke beslissingen.

Het aanhouden van de juiste volgorde door de staatsmachten is niet los te zien van het belang van transparantie bij de uitoefening van overheidsmacht.
Voor de burger moet duidelijk zijn waar de overheidsmacht wordt uitgeoefend, en wat dat betekent voor de mogelijkheden die de burger heeft om daarop zijn invloed uit te oefenen (zie ook hier). In een samenleving waarin de overheid in feite overal aanwezig is, is dat een cruciale notie.

IV: rechter afhankelijk van wat er aan geschillen wordt voorgelegd.
Het punt van de volgordelijkheid van rechterlijke bemoeienis komt ook naar voren in een vierde karakteristiek van rechterlijke beslissingen, namelijk dat de rechter pas in beweging komt als haar een geschil wordt voorgelegd.

De rechter beslecht geschillen, maar doet dat alleen als er iemand is die vindt dat het geschil aan de rechter moet worden voorgelegd. Zoals bekend, hoeven niet beide partijen dat te willen; de gedaagde partij moet zich voegen in de wens van de eiser. Dat de rechter alleen geschillen beslecht die aan haar worden voorgelegd, klinkt misschien als een open deur, maar dat is het zeker niet.

De consequentie is namelijk dat de rechter géén eigen agenda kán hebben – en die dus ook niet heeft – voor wat betreft de onderwerpen waarover beslist moet worden. Het zijn partijen die dat bepalen; de rechter volgt slechts.
In die zin is zijn rechterlijke beslissingen altijd reactief.

Hoe anders ligt dit voor de andere staatsmachten. Zij bepalen zélf welke wetgeving wel of niet tot stand moet worden gebracht; welk beleid wel of niet ten uitvoer moet worden gelegd. Zíj zijn degenen die aan de knoppen zitten en initiatief kunnen nemen. Dat de rechter altijd afhankelijk is van wat partijen voorleggen en nooit zelf kan bepalen wat volgens háár belangrijk is, roept trouwens soms bij de rechter ook zélf vragen op.

Houden we ons met de juiste dingen bezig? Want het kan behoorlijk arbitrair zijn welke zaken bij de rechter komen. Soms zijn er zaken die tamelijk triviaal ogen, zoals de tienduizenden claims in verband met vluchtvertraging.

Soms zijn er zaken waarin je zou willen dat mensen hun problemen op een andere manier oplossen dan via de rechter, zoals familiezaken waarin ex-echtelieden elkaar blíjven bestoken met procedures, of de eindeloze stroom van Dexia-zaken die inmiddels misschien wel 20 jaar gaande is.  En soms zijn er zaken waarin de rechter een pionnetje is in een strijd tussen grote partijen met diepe zakken – waarin vertraging het belangrijkste doel van de procedure is. Ik zei het al, er is altijd iemand die voordeel heeft bij handhaving van de status quo en het juist níet definitief beslechten van een geschil.

De rechter heeft hier echter nauwelijks bewegingsruimte. De Hoge Raad kan zaken verkort afdoen, maar feitenrechters moeten gewoon beslissen wat er op hun bureau terecht komt. En het is zeker niet gezegd dat dat steeds de vragen zijn die maatschappelijk urgent zijn.

Hoe dan ook ligt het initiatief voor een rechterlijke beslissing nooit bij de rechter, en vormt dat een wezenlijk verschil met politieke beslissingen.

V: Rechtsbescherming
Ik ben aangekomen bij het vijfde en laatste verschil tussen rechterlijke en politieke beslissingen. Dat is de taak van de rechter om individuen of groepen van individuen te beschermen tegen de macht van de meerderheid.

Hoewel ook wetgever en bestuur oog hebben – en in ieder geval zouden moeten hebben –  voor de positie van individuen in het grote geheel, voor de gevolgen van wetgeving of beleid voor, zal de focus daar toch vooral liggen bij het algemeen belang, bij het totstandbrengen en uitvoeren van regels die bijdragen aan algemene welvaart, aan een stabiele en goed functionerende samenleving.

De rechter fungeert dan als vangnet, om ervoor te zorgen dat individuele personen of groepen van personen niet op onaanvaardbare wijze in het nauw worden gedreven. Dat vangnet is des te belangrijker wanneer het gaat om de bescherming van personen of groepen van personen die moeilijker toegang hebben tot het wetgevings- of bestuurlijke proces. Precies dát zien we in de KNIL-uitspraak waarmee ik begon.

Ik formuleer die kern van rechterlijke beslissingen nu eens niet in begrippen als ‘het bieden van rechtsbescherming’ of ‘bescherming van de rechtsstaat’. In plaats daarvan zou ik zeggen dat de rechter mensen bescherming biedt tegen het recht van de sterkste. De sterkste kan ook zijn degene met de langste adem, degene die in beweging moet komen om een bepaalde feitelijke situatie te veranderen.
Denk aan bescherming tegen handelen van de sterkste van twee contractspartijen, maar bijvoorbeeld ook bescherming van omwonenden tegen schadeveroorzakend handelen van een fabriek of bedrijf.

En natuurlijk bescherming van het individu tegen een machtige overheid, die weleens iemand over het hoofd kan zien of andere afwegingen maakt.  Dit is de core business van rechterlijke beslissingen.

Door mensen te beschermen tegen het recht van de sterkste, laat de rechter zien dat zij oog heeft voor het individu, voor de mens, met al zijn kwetsbaarheden.

In de kern behoort rechtspraak een daad van humaniteit te zijn.